Dag 3
10 september 2015 - Casteldaccia, Italië
DAG 3
Vandaag liep de wekker af om 6.45uur. Even gaan ontbijten. Om 8.00uur vertrokken we naar de beroemde stad Pompei. Lees hieronder de brief van Plinius de jongere die ooggetuige was op 24 augustus 79 (na Christus), de dag waarop de Vesuvius uitbarste en in 3 dagen tijd alles om zich heen verwoestte.
Brief van Plinius de jongere (beschrijving uitbarsting Vesuvius)
Mijn oom was te Misenum en hij voerde ter plaatse het commando over een vloot. vierentwintig Augustus, ongeveer het zevende uur rond een uur 's middags, wees mijn moeder hem erop dat er een wolk verscheen met en een zeer ongewone grootte en aanblik. Nadat hij in de zon gelegen had, vervolgens een koud bad genomen had, had hij liggend een lichte maaltijd genomen en hij was aan het studeren; hij eiste zijn sandalen, klom naar de plaats van waar dat vreemd verschijnsel het best bekeken kon worden. Een wolk ontstond - het was voor diegenen die van ver toekeken onzeker uit welke berg (later vernam men dat het de Vesuvius geweest was). Hiervan zou de gelijkenis en de vorm door geen andere boom meer dan door een pijnboom kunnen worden weergegeven. Want ze verspreidde zich met een soort van takken als het ware opstijgend in de hoogte met een zeer lange stam. Ik geloof, omdat ze door een krachtige luchtstroom gestuwd werd, vervolgens is die luchtstroom zwakker geworden en is de wolk tot stilstand gekomen of zelfs omdat ze overwonnen door haar gewicht zich oploste in de breedte. Soms was ze stralend wit, soms vuil en vol vlekken, naargelang ze aarde of asse omhooggebracht had.
Het leek hem iets groots en het van dichterbij onderzoeken waard, zoals vanzelfsprekend is voor een zeer geleerd man. Hij beval dat een snelle galei gereedgemaakt moest worden en hij bood mij de gelegenheid als ik samen met hem zou willen gaan. Ik antwoordde dat ik liever wilde studeren en toevallig had hijzelf mij iets om te schrijven gegeven. Hij ging weg van huis; hij ontving een briefje van Rectina van Tascus, die door het dreigende gevaar zeer in paniek geraakt was (want haar landgoed lag aan de voet van de Vesuvius en er was geen mogelijkheid tot de vlucht, tenzij via schepen): ze smeekte dat hij haar weghaalde van het zo grote gevaar. Hij veranderde zijn plan en dat wat hij uit weetgierigheid begonnen was, zette hij met heldhaftigheid verder. Hij liet de vierremers te water, ging zelf aan boord om niet alleen Rectina, maar velen hulp te bieden (want de prachtige kust was drukbevolkt). Hij haastte zich daarheen, vanwaar anderen vluchtten, recht de koers, recht het roer gericht naar het gevaar, zo onbevreesd dat hij alle bewegingen van die ramp, alle vormen, zoals hij ze waargenomen had met zijn ogen, dicteerde en nauwkeurig opschreef. Er viel al asse op de schepen, hoe naderbij ze kwamen, des te warmer en dichter opeen, zelfs al puimstenen en door het vuur zwartgeblakerde en gebroken steen, plotseling ontstond er een ondiepte en door de explosie van de berg waren de kusten ontoegankelijk. Nadat hij een beetje getwijfeld had of hij het roer zou omgooien, zei hij vervolgens aan de stuurman, die hem aanzette het zo te doen: "Het lot helpt de dapperen. Ga naar Pomponianus."
Pomponianus was te Stabiae, gescheiden door de baai die er tussen ligt (want de kust maakt een geleidelijke, maar diepe bocht): hoewel het gevaar daar nog niet vlakbij was, was het toch al duidelijk waarneembaar en, toen het gevaar groeide, was het zeer dichtbij, hij had zijn bagage samengebracht op de schepen, vastbesloten tot de vlucht, als de tegenwind gaan liggen was. En toen werd mijn oom daarheen geleid door een zeer gunstige wind, hij omhelsde de bevende Pomponianus, troostte hem, spoorde hem aan en om door zijn zelfzekerheid de vrees van Pomponianus te verminderen, beval hij weggebracht te worden naar de badkamer. Nadat hij een bad genomen had, ging hij aan tafel en hij at of opgewekt of (wat even groots is) opgewekt lijkend. Intussen lichtten uit de berg de Vesuvius op verscheidene plaatsen zeer brede vlammen en hoge branden op, waarvan de schittering en helderheid verhevigd werd door de duisternis van de nacht. Als remedie tegen de angst zei mijn oom herhaaldelijk dat er door de angst van de landbouwers vuren achtergelaten waren en dat de achtergelaten landgoederen in verlatenheid brandden. Toen begaf hij zich te ruste en hij sliep weliswaar echt. Want door hen , die voorbij zijn kamer kwamen, werd zijn ademhaling gehoord, die bij hem wegens de omvang van zijn lichaam vrij zwaar en luidruchtig was. Maar de binnenplaats van waar men naar zijn kamer kon gaan, was zo omhooggekomen helemaal gevuld met asse vermengd met puimstenen, dat hem de uitgang onmogelijk gemaakt zou worden, als er langer oponthoud in de slaapkamer zou zijn. Nadat hij gewekt was, kwam hij tevoorschijn en voegde hij zich weer bij Pomponianus en de overigen, die doorgewaakt hadden. Gezamenlijk overlegden ze of ze binnen de huizen moesten blijven of in de openlucht moesten ronddwalen. Want de huizen wankelden door de talrijke en uitgebreide trillingen en ze leken alsof ze uit hun grondvesten getild waren, nu eens hierheen dan weer daarheen weg te gaan of terug te keren. Anderzijds vreesde men onder de blote hemel voor de val van puimstenen, hoewel licht en poreus. Maar toch verkoos de vergelijking van de gevaren dat laatste. En bij mijn oom overwon het ene redelijke argument het andere, bij de anderen de ene vrees de andere.
Ze legden kussens op hun hoofd en bonden die vast met doeken: dit was een bescherming tegen vallende voorwerpen. Elders was het al dag, daar was de nacht zwarter en dichter dan alle andere nachten. Toch trachtten veel fakkels en allerlei lampen die duisternis te verdrijven. Ze besloten naar de kust te gaan en van dichtbij te bekijken of de zee nu al schepen liet vertrekken, maar ze bleef nog altijd woest en vijandig. Daar ging mijn oom liggen op een uitgespreidde doe;, hij vroeg telkens weer om fris water en dronk het op. Dan joegen vlammen en de geur van zwavel, de voorbode van vlammen, de anderen op de vlucht en deden hem opstaan. Steunend op twee slaafjes stond hij recht en zakte dadelijk weer in elkaar -zoals ik het begrijp- omdat door de te dikke walm zijn adem blokkeerde en zijn luchtpijp werd afgesloten, die van nature bij hem al zwak en beklemd was en vlug ontstoken. Toen het daglicht teruggekeerd was (dat was de derde dag sinds die dag, die hij voor 't laatst gezien had), werd zijn lichaam gevonden, ongeschonden, ongedeerd en helemaal gekleed, zoals hij was. De houding van zijn lichaam was eerder die van iemand die rust dan van een overledene.
Om 9.00uur komen we aan in Pompei. Hier krijgen we dadelijk een rondleiding van Mariet. Maar eerst kunnen we nog even koffie drinken. Om 9.30uur gaan we naar binnen. We wandelen zo'n 2.5uur door het indrukwekkende Pompei. Zo bijzonder dat veel dingen nog intact zijn, net alsof er niks is gebeurd.
Om 12.00uur vertrekken we naar de flanke van de Vesuvius waar we wat kunnen eten, en rond kunnen wandelen tussen de wijngaarden en olijfbomen. Om 14.00uur vertrekken we voor de lange tocht naar ons hotel Al Torrione. Onderweg wordt het weer steeds slechter, maar gelukkig zitten we droog. Onderweg maken we nog een stop bij een tankstation om even wat te drinken. Rond 19.00uur komen we bij ons hotel. Kwart voor acht kunnen we eten. Na het eten nog even gerelaxed op de kamer.
Vandaag liep de wekker af om 6.45uur. Even gaan ontbijten. Om 8.00uur vertrokken we naar de beroemde stad Pompei. Lees hieronder de brief van Plinius de jongere die ooggetuige was op 24 augustus 79 (na Christus), de dag waarop de Vesuvius uitbarste en in 3 dagen tijd alles om zich heen verwoestte.
Brief van Plinius de jongere (beschrijving uitbarsting Vesuvius)
Mijn oom was te Misenum en hij voerde ter plaatse het commando over een vloot. vierentwintig Augustus, ongeveer het zevende uur rond een uur 's middags, wees mijn moeder hem erop dat er een wolk verscheen met en een zeer ongewone grootte en aanblik. Nadat hij in de zon gelegen had, vervolgens een koud bad genomen had, had hij liggend een lichte maaltijd genomen en hij was aan het studeren; hij eiste zijn sandalen, klom naar de plaats van waar dat vreemd verschijnsel het best bekeken kon worden. Een wolk ontstond - het was voor diegenen die van ver toekeken onzeker uit welke berg (later vernam men dat het de Vesuvius geweest was). Hiervan zou de gelijkenis en de vorm door geen andere boom meer dan door een pijnboom kunnen worden weergegeven. Want ze verspreidde zich met een soort van takken als het ware opstijgend in de hoogte met een zeer lange stam. Ik geloof, omdat ze door een krachtige luchtstroom gestuwd werd, vervolgens is die luchtstroom zwakker geworden en is de wolk tot stilstand gekomen of zelfs omdat ze overwonnen door haar gewicht zich oploste in de breedte. Soms was ze stralend wit, soms vuil en vol vlekken, naargelang ze aarde of asse omhooggebracht had.
Het leek hem iets groots en het van dichterbij onderzoeken waard, zoals vanzelfsprekend is voor een zeer geleerd man. Hij beval dat een snelle galei gereedgemaakt moest worden en hij bood mij de gelegenheid als ik samen met hem zou willen gaan. Ik antwoordde dat ik liever wilde studeren en toevallig had hijzelf mij iets om te schrijven gegeven. Hij ging weg van huis; hij ontving een briefje van Rectina van Tascus, die door het dreigende gevaar zeer in paniek geraakt was (want haar landgoed lag aan de voet van de Vesuvius en er was geen mogelijkheid tot de vlucht, tenzij via schepen): ze smeekte dat hij haar weghaalde van het zo grote gevaar. Hij veranderde zijn plan en dat wat hij uit weetgierigheid begonnen was, zette hij met heldhaftigheid verder. Hij liet de vierremers te water, ging zelf aan boord om niet alleen Rectina, maar velen hulp te bieden (want de prachtige kust was drukbevolkt). Hij haastte zich daarheen, vanwaar anderen vluchtten, recht de koers, recht het roer gericht naar het gevaar, zo onbevreesd dat hij alle bewegingen van die ramp, alle vormen, zoals hij ze waargenomen had met zijn ogen, dicteerde en nauwkeurig opschreef. Er viel al asse op de schepen, hoe naderbij ze kwamen, des te warmer en dichter opeen, zelfs al puimstenen en door het vuur zwartgeblakerde en gebroken steen, plotseling ontstond er een ondiepte en door de explosie van de berg waren de kusten ontoegankelijk. Nadat hij een beetje getwijfeld had of hij het roer zou omgooien, zei hij vervolgens aan de stuurman, die hem aanzette het zo te doen: "Het lot helpt de dapperen. Ga naar Pomponianus."
Pomponianus was te Stabiae, gescheiden door de baai die er tussen ligt (want de kust maakt een geleidelijke, maar diepe bocht): hoewel het gevaar daar nog niet vlakbij was, was het toch al duidelijk waarneembaar en, toen het gevaar groeide, was het zeer dichtbij, hij had zijn bagage samengebracht op de schepen, vastbesloten tot de vlucht, als de tegenwind gaan liggen was. En toen werd mijn oom daarheen geleid door een zeer gunstige wind, hij omhelsde de bevende Pomponianus, troostte hem, spoorde hem aan en om door zijn zelfzekerheid de vrees van Pomponianus te verminderen, beval hij weggebracht te worden naar de badkamer. Nadat hij een bad genomen had, ging hij aan tafel en hij at of opgewekt of (wat even groots is) opgewekt lijkend. Intussen lichtten uit de berg de Vesuvius op verscheidene plaatsen zeer brede vlammen en hoge branden op, waarvan de schittering en helderheid verhevigd werd door de duisternis van de nacht. Als remedie tegen de angst zei mijn oom herhaaldelijk dat er door de angst van de landbouwers vuren achtergelaten waren en dat de achtergelaten landgoederen in verlatenheid brandden. Toen begaf hij zich te ruste en hij sliep weliswaar echt. Want door hen , die voorbij zijn kamer kwamen, werd zijn ademhaling gehoord, die bij hem wegens de omvang van zijn lichaam vrij zwaar en luidruchtig was. Maar de binnenplaats van waar men naar zijn kamer kon gaan, was zo omhooggekomen helemaal gevuld met asse vermengd met puimstenen, dat hem de uitgang onmogelijk gemaakt zou worden, als er langer oponthoud in de slaapkamer zou zijn. Nadat hij gewekt was, kwam hij tevoorschijn en voegde hij zich weer bij Pomponianus en de overigen, die doorgewaakt hadden. Gezamenlijk overlegden ze of ze binnen de huizen moesten blijven of in de openlucht moesten ronddwalen. Want de huizen wankelden door de talrijke en uitgebreide trillingen en ze leken alsof ze uit hun grondvesten getild waren, nu eens hierheen dan weer daarheen weg te gaan of terug te keren. Anderzijds vreesde men onder de blote hemel voor de val van puimstenen, hoewel licht en poreus. Maar toch verkoos de vergelijking van de gevaren dat laatste. En bij mijn oom overwon het ene redelijke argument het andere, bij de anderen de ene vrees de andere.
Ze legden kussens op hun hoofd en bonden die vast met doeken: dit was een bescherming tegen vallende voorwerpen. Elders was het al dag, daar was de nacht zwarter en dichter dan alle andere nachten. Toch trachtten veel fakkels en allerlei lampen die duisternis te verdrijven. Ze besloten naar de kust te gaan en van dichtbij te bekijken of de zee nu al schepen liet vertrekken, maar ze bleef nog altijd woest en vijandig. Daar ging mijn oom liggen op een uitgespreidde doe;, hij vroeg telkens weer om fris water en dronk het op. Dan joegen vlammen en de geur van zwavel, de voorbode van vlammen, de anderen op de vlucht en deden hem opstaan. Steunend op twee slaafjes stond hij recht en zakte dadelijk weer in elkaar -zoals ik het begrijp- omdat door de te dikke walm zijn adem blokkeerde en zijn luchtpijp werd afgesloten, die van nature bij hem al zwak en beklemd was en vlug ontstoken. Toen het daglicht teruggekeerd was (dat was de derde dag sinds die dag, die hij voor 't laatst gezien had), werd zijn lichaam gevonden, ongeschonden, ongedeerd en helemaal gekleed, zoals hij was. De houding van zijn lichaam was eerder die van iemand die rust dan van een overledene.
Om 9.00uur komen we aan in Pompei. Hier krijgen we dadelijk een rondleiding van Mariet. Maar eerst kunnen we nog even koffie drinken. Om 9.30uur gaan we naar binnen. We wandelen zo'n 2.5uur door het indrukwekkende Pompei. Zo bijzonder dat veel dingen nog intact zijn, net alsof er niks is gebeurd.
Om 12.00uur vertrekken we naar de flanke van de Vesuvius waar we wat kunnen eten, en rond kunnen wandelen tussen de wijngaarden en olijfbomen. Om 14.00uur vertrekken we voor de lange tocht naar ons hotel Al Torrione. Onderweg wordt het weer steeds slechter, maar gelukkig zitten we droog. Onderweg maken we nog een stop bij een tankstation om even wat te drinken. Rond 19.00uur komen we bij ons hotel. Kwart voor acht kunnen we eten. Na het eten nog even gerelaxed op de kamer.
